Moord en doodslag

Terwijl ik de grote tuin in wandel zie ik verderop een aantal bomen en struiken staan die in een cirkelvorm geplant, hoog opgeschoten en van boven naar elkaar toe buigend een soort prieel vormen. Op de niet hoog begroeide plekken in de tuin groeit plat getrapt gras dat al lange tijd niet gemaaid is. Bloemen ontbreken in deze verwaarloosde en troosteloos uitziende tuin. Totaal geen bloemen. Een doodse tuin met een onaangename sfeer. Ik kan hier en daar door de begroeiing heen kijken. Het is voor mij een vreemd erf. Nooit eerder ben ik in die tuin geweest en begrijp ook niet goed wat er nu te zoeken heb, hoe ik hier kom en met welk doel.

Mijn lieve vrouw loopt met me mee die tuin in. We lopen gearmd in de richting van het prieel. Ik ben niet echt rustig. Iets in mij doet me op mijn hoede zijn. Intuïtief leg ik mijn arm wat steviger om haar schouders en druk haar wat strakker tegen me aan om haar te beschermen voor een dreiging. Als we verder wandelen hoor ik een stuk verder door de begroeiing heen stemmen die me zeer alert doen zijn. Ze moeten vanuit het prieel komen en klinken me onaangenaam bekend in het oor. Ik merk aan de schrikreactie van mijn vrouw dat ze die stemmen ook herkent.

Om een boomgroep heen lopend krijg ik vanuit de verte zicht op een vijftal zwart geklede mensen waar de zelfvoldaanheid vanaf straalt. Ze zitten in tuinstoelen in het groene prieel en lijken zich niet op het gemak te voelen nu wij er aan komen. Ze voelen zich verstoord in hun samen zijn. Op een tafeltje in de kring ligt een open bijbel met zilveren sloten. Ja, wij zijn kennelijk storend aanwezig. Nu ontwaar ik tussen de min of meer bekende personen opeens een figuur die me razend maakt alleen al om de manier waarop hij naar mij en mijn vrouw kijkt. In z’n zwarte pak en met een uitgestreken, vroom gluiperig gezicht en een minachting die in een val-dood-blik met opzet op mij gericht is. Een smerig oud kereltje met een kruiperig voorkomen en met een, speciaal voor mij, door jaloezie verwrongen rot-op-blik omdat ik een aantal jaren geleden z’n oudste dochter uit zijn vuile poten weggerukt heb.

Op onze korte groet mompelt iedereen iets onverstaanbaars van goeiedag of zo. Het komt niet overtuigend over. Er is geen warmte of gezelligheid. De sfeer is net zo zwartgallig kil als die zwarte kleren en de vuile-hemden-gezichten die er bovenuit steken. Dat op zich doet mij trouwens niets.
Dan zegt dat smerige oude mannetje iets, wat aardig over moet komen maar waar hij geen barst van meent. Het is in zijn algemeenheid gezegd, maar speciaal voor mij en mijn vrouw bedoeld. Mijn vrouw moet gekwetst worden. Dat is de werkelijke bedoeling. Terwijl we dichter bij komen zeg ik dat in niet mis te verstane bewoording tegen hem, waarop hij me nog eens zeer nadrukkelijk dood kijkt. Dan wendt hij zijn walgelijke rotkop af en mompelt dat, als ik dood ben, hij vervolgens mijn vrouw geestelijk kapot zal maken.

Dit is de grens. Nu ga ik finaal door het lint. Snel breng ik mijn vrouw op een veilige afstand van die smeerpijp. Blind van woede storm ik op hem af. Hij is zo laf dat ‘ie niet eens de moeite neemt zich te verdedigen. Ook nu weer toont hij zich kruiperig en achterbaks terwijl z’n duivelse valdood-blik op dat smoel blijft staan. Hij komt van bangheid niet eens uit z’n stoel. Dat maakt me zo mogelijk nog kwader. Ik ram alles onderste boven wat ik tegenkom. De personen die erbij zitten zoeken snel een veilig heenkomen en zeggen of doen verder niets. Niemand die me probeert te stoppen.
Het is ze kennelijk weinig waard deze walgelijke figuur uit mijn woeste poten te redden. Ze hadden trouwens geen schijn van kans gehad.
Ik zal dat gore kreng vermorzelen dat ‘ie het nooit, nooit, nooit meer in zijn totaal ver-ziekte harses kan halen ooit weer een bedreiging voor mijn vrouw te zijn. Juist dat, bedreigen en kwetsen, is immers altijd zijn bedoeling geweest.

Hij heeft geprobeerd mijn vrouw, die ik zo intens lief heb, kapot te krijgen. Jaren lange incest en geestelijke geweldpleging met de bijbel onder de arm. Een totaal ontredderd bang en lamgeslagen vogeltje was ze toen ik haar uit zijn smerige brute poten redde. Ik heb haar in mijn beschermende armen genomen en op een veilige plaats gebracht waar die schoft niet meer bij kon komen. Ik heb haar gekoesterd, getroost, opgebeurd, telkens weer haar tranen gedroogd, haar zelfvertrouwen gegeven, haar wonden met heel makende olie behandeld. Heb haar opnieuw leren lopen, ja, zelfs weer leren vliegen. En tot mijn intense vreugde heeft ze weer leren zingen. Een lied van bevrijding en vreugde. Een lied van vrede en duur verworven geluk.

En nu? Nu nog langer terreur laten uitoefenen? Dat nooit, nooit, nooit meer!
Nu gaat ‘ie d’r eindelijk aan, die gore smeerlap. Ik grijp hem bij z’n strot in een ijzeren greep. Z’n bange kruiperige smoel kent nu alleen nog doodsangst. Met een korte ruk smak ik hem tegen de grond. Ik sla, ik ram, en maai met mijn woeste stalen knuisten op het zwarte vlek in. Alles wat in aanraking komt met mijn verpletterende poten vliegt op zij of wordt tot moes geslagen.
Ik kijk uit mijn ooghoeken of mijn vrouw nog steeds veilig is op het plekje waar ik haar heen bracht. Ze staat daar met een volmaakt rustige blik. Vol vertrouwen bekijkt ze mijn handelen. Eindelijk gerechtigheid!
In dolle woede knal ik alles overhoop wat met het walgelijke wezen te maken heeft. Niets blijft gespaard van wat zich binnen mijn bereik bevindt. Zelfs bomen en struiken die vlak bij dat kwaadaardig zwarte gezwel staan worden onder mijn vuisten tot splinters geslagen.
Na een flinke tijd mijn verwoestende werk te hebben gedaan zie ik niets meer van die ellendige figuur. Opgelost, weg.
In het restant van mijn woede sta ik de rest-takjes van de struik, die op de plaats stond waar dat smerige kereltje zat, te verpulveren tot snippers en stamp die vervolgens driftig in de grond. Als dat ook gebeurd is begin ik wakker te worden.

Mijn hart bonkt wild van al die inspanning. Mijn god, wat heb ik het druk gehad. Maar ik moet bekennen, een heerlijk gevoel. Eindelijk afgerekend met dat ellendige stuk ongeluk. Die zit voorgoed ergens diep onder de grond of……..
Pas nu ik goed wakker word, besef ik dat ik weer heb gedroomd. Ik ben drijfnat van het zweet. De zoveelste nachtmerrie. Houdt dat nooit op?
Van mij mag déze moord onderhand wel de laatste zijn!