Kale neet

Er blijkt geen kapper in dit winkelcentrum te zitten.
Bij de Lala Rook Mall, een klein stukje terug, zit er wel een, zeiden ze. Na een maand Suriname is mijn hoofd onderhand aan een trimbeurt toe. Na een paar keer vragen vind ik op een achterafje een piepklein kapperszaakje. Ga ik wel of niet naar binnen? Twee tengere kappertjes staan me glimmend aan te stralen als ik met ‘goedemorgen’ toch maar binnen stap. Ik ben de enige klant. Of hij raad weet met dit type haar? “Jawel meneer, ik heb wel vaker zulk haar geknipt,” zegt hij vriendelijk. De man lijkt zo veel op mijn neef dat ik mijn weerstand om deze ervaring aan te durven grootmoedig opzij schuif. Met zijn sympathieke voorkomen gun ik hem mijn klandizie dubbel en dwars.
Jawel, ik ben toch een beetje beducht want in de afgelopen 31 jaar ben ik niet meer bij een reguliere kapper geweest, laat staan bij een kapper in Suriname. Sinds ik met mijn vrouw samen ben knipt zij mij altijd.
Met nadruk vertel ik hoeveel er ongeveer af moet. Hij knikt. Komt goed.
Ik mag gaan zitten in de houten stoel op iets langere poten, uit het jaar 1823. Een extra dwarslat waar de voeten op rusten. Er staan er twee in ‘de zaak’. Terwijl ik ga zitten hoor ik dat de andere kapper wat instructies geeft in Sranantongo over de toe te passen kammetjes op de tondeuse. Vlak voor mijn knieën staat een wandkast onder een grote spiegelwand. Op het blad staan attributen die mij niet direct aan een kapperszaak doen denken. Alleen de tondeuse en een verzameling bijbehorende opzetkammetjes komen me wel bekend voor.
Ik krijg een tafellaken van tante Mien om m’n nek geknoopt. In de spiegel zie ik dat de kringels van de koffiepot precies op mijn hart zitten. Kent pakt de tondeuse en begint onder in m’n nek bedachtzaam omhoog te scheren. Links op het blad zie ik een sigarenkistje met een schaartje. Verder op het blad staan verschillende flessen met vloeistof, een scheerkwast, een grote blokwitter en een waternevelfles met een rubberen knijpballetje.
Omdat ik mijn bril niet meer op heb zie ik in de verte een figuur die kennelijk bij een soort kapper zit. De kapper is zo klein van stuk dat hij net tot de schouder van zijn klant komt, waardoor hij nooit boven op diens hoofd kan kijken. Hij beweegt met een tondeuse rond het hoofd van de klant. Enorme plokken haar rollen over tante Mien’s tafellaken, sommigen rollen door en vallen op de grond. Een schaar lijkt in dit kappers procédé in het geheel niet voor te komen. Telkens wisselt de kapper een opsteekkammetje en scheert gepassioneerd waar hij begroeiing tegenkomt.
Ondertussen heb ik een andere knipklant binnen zien komen en die wordt door de collega onderhanden genomen.
Ik hoor en voel de tondeuse zijn serieuze taak verrichten maar plotseling bevreemd het mij een beetje dat naast mij onderhand de tweede klant al uit de stoel stapt.
Een alarmbelletje gaat af.
Een onrustig gevoel maakt zich van mij meester. Tot nu toe heeft Kent alleen nog maar rondom geschoren, exclusief mijn baard, en toch zoveel haar op tante Mien’s tafellaken? Hij is nog niet eens bovenop mijn hoofd geweest. De eerlijkheid gebiedt me toe te geven dat er bovenop ook niet zo heel veel meer zit, maar toch…..
Dan is de bovenkant aan de beurt. Of ik even onderuit kan zakken. Half liggend hang ik met mijn kont op de rand van die verrekte harde stoel. Met mijn knieën klem tegen de deurtjes van de wandkast voorkom ik dat de kapper zo dadelijk zijn klant op de grond verder moet knippen. Vol goede moed wisselt de kapper het ene kammetje na het andere, nu hij een nieuw productieveld tot zijn werkterrein heeft. Mijn knieën beginnen pijnlijk te worden tegen die kast. Zo onderuit hangend kan ik helemaal niets meer zien van wat er in de spiegel gebeurt. Tergend langzaam rolt een grote plok haar over tante Mien’s koffiepot naar beneden. Kent is aan één stuk in de weer en heeft allemaal details te bewerken waar mijn vrouw nog nooit aan gedacht lijkt te hebben. Ondertussen praten we gezellig (?) over koetjes en kalfjes.
Sinds de hand-knip-tondeuse van de oude kapper op het dorp, nu 45 jaar geleden, ben ik nooit meer zo ongerust geweest over mijn begroeiing.
Dan krijg ik eindelijk het verlossende seintje dat ik weer rechtop mag gaan zitten. Nu zijn mijn wenkbrauwen aan de beurt. Nooit aan gedacht maar die dingen groeien ook en na 31 jaar valt daar natuurlijk ook wel eens wat aan te scheren. Even bekruipt me de angstige vraag of mijn wimpers er soms ook nog aan moeten geloven. Kent pakt een ingekort keukenmes en scheert ‘uit het handje’ de overgebleven hardnekkige haartjes uit mijn nek weg. Voor het precieze werk heeft hij een half afgebroken Gilette-mesje zoals ik vroeger in zo’n gebogen scheermeshoudertje deed. Uit de hand gaat hij minutieus te werk rond mijn voorhoofd en oren. Elk achtergebleven haartje gaat er nu alsnog aan. Hij maakt er echt werk van, kan niet anders zeggen!
Nu is mijn baard aan de beurt. Opnieuw moet de tondeuse met diverse lange en korte kammetjes het werk doen. Bij mijn adamsappel struikelt de tondeuse een beetje. Het kammetje valt er af en de venijnige metalen tondeusetandjes schrapen over mijn huid. Omdat ik opnieuw achterover in de stoel bungel kan ik niet zien of voelen of mijn huid nog heel is. In mijn beleving moet ik zo meteen met een rotgang naar een kliniek om mijn keel te laten verbinden.
Kent babbelt rustig door over dit mooie land en over zijn kappersopleiding die hij niet hoefde af te maken omdat hij er zoveel gevoel voor had. Dit had ‘ie nou net niet moeten zeggen! Een moment hebben mijn handen, verborgen onder de creatie van tante Mien, de neiging om even aan mijn haren te voelen.
Naast mij stapt klant nummer drie uit de stoel. Dit is ronduit slecht voor mijn toch al wankele gemoedsrust. Europese kapsels zijn vast veel ingewikkelder, houd ik mij voor.
Nu ook mijn baard behoorlijk aan volume heeft ingeboet graait hij iets uit het sigarenkistje. Het schaartje waar onze kleinkinderen mee knutselen is gevaarlijk scherp in vergelijking met deze.
Het blijkt de algehele finishing touch te wezen. Regelmatig komt een haartje pijnlijk klem te zitten in plaats van afgeknipt te worden. Bijna heeft hij mijn bovenlip te pakken. Als alles naar behoren gekortwiekt is pakt Kent de grote blokwitter en borstelt de losse haartjes uit mijn nek en gezicht. Eén of andere bijtende vloeistof moet infecties voorkomen en een soort siliconenspray moet mijn nu gecreëerde kapsel de komende decennia in bedwang houden. Hemels dankbaar sta ik op uit mijn stoel. Ik heb na een uur geen achterste meer over.
Kent zegt dat ik er uit zie als een man van 27 jaar. Ik bedank hem voor zijn briljante compliment.
De andere kapper zit een tukkie te doen in z’n stoel. Mijn bril geeft me mijn visuele wereld weer terug.
De spiegel geeft echter een beeld dat ik niet onmiddellijk herken. Enigszins verdoofd constateer ik dat ik in 45 jaar niet meer zo kaalgeknipt geweest ben. Ik hoor mezelf aan Kent vragen hoeveel hij krijgt voor zijn vakwerk. Ik geef hem 50 SRD, dan krijgt hij wat meer dan de gevraagde € 10,- want hij heeft er hard voor gewerkt tenslotte.
Ik moet hem beloven dat ik weer langs zal komen als ik weer in Suriname ben. Dat doe ik. Of ik ook aan zal wippen betwijfel ik op dit moment nogal sterk.
Buiten bij de auto voel ik vertwijfeld of er nog wat is blijven zitten. Bitter weinig. Geen enkele houvast, nergens meer. De haartjes prikken allemachtig in mijn nek. Gauw naar huis en onder de douche. Onderweg kom ik langs een bouwmarkt. Laat ik nu toch eerst maar die paar lampen halen, dan hoef ik vanmiddag niet meer weg. In de winkel vraagt een jonge man achter de kassa of ik hier op vakantie ben.
“Nee, ik werk hier zes weken en dan ga ik weer naar Nederland.”
“Bent u zendeling?” vraagt hij.
Ik kan nog net iets lelijks inslikken. Het moet toch niet gekker worden! Eerst vraagt iemand of ik dokter ben. Kom ik bij de kapper vandaan en ik zie er uit als een missionaris? Ik vlucht de winkel uit. In de auto kijk ik nog eens in de spiegel. Is het echt zo erg?
In de badkamer hangt de spiegel aan de muur te kreunen van het lachen. Zelden zo’n kale neet gezien. Met m’n ogen dicht loop ik er langs. Onder de douche was ik met afgrijzen m’n stoppels want meer is er niet overgebleven. Voorlopig heb ik geen shampoo meer nodig. Als ik afgedroogd noodgedwongen geconfronteerd wordt met mijn spiegelbeeld kan ik slechts beamen dat mijn onrustgevoelens lang niet ongegrond waren. Met de aftershave balsem van de Vergulde Hand zal mijn mishandelde huid wel weer snel opknappen, hoop ik.
Een kam door mijn haren halen is compleet zinloos, er valt niks te kammen.
Ik maak mijn haarrestanten opnieuw nat en laat voorzichtig de kam op z’n plat naar achteren gaan. Op de linker helft staat 1 cm, op de rechter staat nog een zone met 2,5 cm haar. Mijn ratio vraagt in deze situatie om relativering, mijn emoties schreeuwen om compensatie.
Ik ga naar ‘t Vat om een lekkere hap te eten. Mijn vriendinnetje uit Den Helder heeft weer dienst. Als ze bij mijn tafeltje komt bestel ik eerst maar eens een Black Cat op ijs.
“Wilde je wat zeggen?” vraag ik.
“Nee hoor,” zegt ze, terwijl ze te snel omdraait.
Later, als ik me flink wat moed heb ingedronken wenk ik haar; “Pst, valt je wat op?” naar mijn hoofd wijzend.
“Ja,” fluistert ze terug, “volgens mij is het er bijna allemaal af!”
“Is dat alles?”
“Nee,” giechelt ze luid, “wat er over is zit hartstikke scheef en ongelijk, vooral bovenop!”
“Niet zo hard praten, wil je?”
“U vroeg me toch wat ik er van vond?”
“Geef me dan nog maar gauw een borrel.”
“En een adres van een goeie kapper, soms?” hikt ze van het lachen.
“Aan jou heb ik wat, ik kijk je nooit meer aan!”
Te laat besef ik dat ik iets doms gezegd heb.
De rest van de avond komen verdacht veel van haar collega’s langs mijn tafeltje. Zelden zo veel en vaak rijen witte tanden gezien.…………