Boodschappertje

Mijn vrouw had deze zondagmorgen een vroege dienst dus ook ik was even na zevenen in mijn werkplaats. Zoals meestal klinkt mijn ‘eigen harmonieuze’ muziek op bescheiden volume op de achtergrond. Deze dag probeer ik echt alleen aan m’n eigen schip te werken. Er moet nog zoveel aan gebeuren dat ik nog minstens een maand nodig zal hebben voor hij te water kan. De grote werkplaatsdeur staat helemaal open en de zomerse frisse ochtendlucht ververst mijn werkplaats.

Onder het werken betrap ik mezelf op piekeren over de relationele situatie van onze dochter.  Het gaat niet goed, dat weten we. De vraag is niet of, alleen wanneer de beslissende stap volgt.
“Nee, ze laat niet over zich heen lopen. Ja, ze is goed in staat voor zichzelf te kiezen. Nee, jij hoeft je daar geen zorgen om te maken”, loop ik mezelf hardop te vertellen.
Het houdt me meer bezig dan anders.
Als ik later die ochtend een ongerust telefoontje van haar krijg dat het nu echt niet meer goed lijkt te komen, besef ik dat we binnenkort waarschijnlijk onze dochter met drie kids weer in huis zullen hebben.
“Tja, en als het zover is zien we dat vanzelf wel weer,” zeg ik luid tegen mezelf maar op de achtergrond van mijn denken voeren ratio en emotie een heftige strijd om voorrang.

De dieseltank zit ondertussen op z’n plaats en kan worden aangesloten. Onderin de bakskist is het alles behalve ruim bemeten. Opgevouwen zit ik onder de looplamp de brandstofslangen op hun plaats te schuiven.
Ergens op de achtergrond hoor ik een jonge mees aanhoudend helder piepen.
De laatste slangklem zit erop en ik klim weer uit de bakskist naar de vrijheid. Nu hoor ik het vogeltje wel heel dichtbij. Die kon wel ’s binnen zitten en dat gebeurt bijna nooit. In de zes meter hoge werkplaats zijn genoeg verstopplekjes in de cannelures van het stalen dak om ongezien te blijven voor het menselijk oog en daar slaagt dit beestje heel goed in. Mijn nieuwsgierigheid wordt er echter niet minder om. Ik kan staand op het voordek net niet op de vijf meter hoog horizontaal geparkeerde industriedeur kijken, waar het geluid vandaan lijkt te komen. Terwijl ik vanaf het schip de vliegtuigtrap naar beneden loop verplaatst het gepiep naar de andere kant van de werkplaats. Loop ik naar de kantoordeur dan hoor ik hem bij de industriedeur, loop ik daarheen dan hoor ik hem weer achter in de werkplaats. Het malle ding blijft ondertussen onophoudelijk roepen. Hij is schuw genoeg om zich niet te laten zien. Nou ja, hij zal best wel een keer vertrekken.

Op de werkbank maak ik de nieuwe gasbun in orde om aan boord te kunnen plaatsen.
Halverwege de middag komt mijn vrouw uit haar werk eerst even langs de werkplaats om te kijken of ze de kajuit en het voorschip vast kan ontdoen van een dikke laag stof.
We staan bij de werkbank bij te praten, ook over het telefoontje die ochtend. Ik kijk terloops naar de horizontaal geparkeerde industriedeur hoog boven mij. Nu zie ik de jonge mees voor het eerst naar het randje van de deur vliegen. “Kijk,” zeg ik naar boven wijzend tegen mijn vrouw; “die zit hier al vanaf vanmorgen vroeg binnen en zolang z’n batterijtje het blijft doen komt er geluid uit. Hij zit recht boven je.”
Automatisch stapt ze iets opzij om een eventueel mezenpoepie te ontwijken.
Het kleine verenpropje zit voortdurend te roepen zoals jonge mezen dat doen om van hun ouders voer los te schooien.
Er is wel eens vaker een vogel naar binnen gekomen maar die vond een deuropening van vier meter, hoog zat om rap weer naar buiten te vliegen, zeker als er lawaai van machines bij komt.
Dit beestje heeft vandaag al heel wat herrie meegemaakt maar desondanks kan of wil hij niet naar buiten.
“Als je de werkplaatsverlichting eens uit doet?” stelt mijn vrouw voor, “Dan vliegt ie wel naar het daglicht toe.”
“Ja Mop, goed idee, dat dacht ik vanmorgen ook. Ik deed de muziek uit, de lampen uit maar hij stinkt er gewoon niet in.
Nou ja, in het beroerdste geval is ie morgen handmak,” opper ik. ”Met de pootjes omhoog.”
“Och, arm ding,” hoor ik mijn vrouw zachtjes zeggen. “Z’n vader en moeder zullen hem wel zoeken”. Aan boord kan mijn vrouw nog niet zo veel nuttigs doen maar thuis altijd wel. Ze stelt voor om vast naar huis te rijden.
Zelf heb ik hier nog zat werk te doen en ik voel er veel voor om nog een paar uur in de werkplaats te blijven en als mijn maag dat aangeeft kom ik vanzelf een keer op de pot warm eten af.
Als ik mijn vrouw heb uitgezwaaid loop ik met een lijmpatroon de trap weer op om onderdeks wat grondhout vast te lijmen voor de drinkwatertank in het voorschip. Als dat er in zit kan ik meteen nog wat grondhout zetten in het achterschip, voor de retourleiding van de dieseltank. Ik laat me weer in de bakskist zakken en opgevouwen verricht ik mijn klus. Met een rooie kop van de inspanning kom ik uit mijn kleine werkruimte en blijf op mijn knieën op de kuipvloer zitten om even bij te komen. Achter mijn rug hoor ik nu wel heel dichtbij het meesje roepen. Heel langzaam draai ik mij om en zie hem tot mijn stomme verbazing op amper twee meter afstand op de zeerailing zitten. Vanaf zijn hoger gelegen stekkie kijken we elkaar aan terwijl het meesje onverstoorbaar blijft roepen maar nu kennelijk zonder enig teken van schuwheid. Z’n sneppie gaat telkens wijd open om een kraakhelder toontje te laten horen. Ik ben even uit balans.
In slow motion pak ik mijn iPhone uit mijn borstzak. Op de display kan ik door het tegenlicht van de TL-bakken het kleine vogeltje op de hogere zeerailing zo gauw niet vinden. Oké, dan maar geen foto.
“Waarom ga je nou niet naar buiten, klein frommeltje?” vraag ik hardop aan mijn bezoekertje. Onvermoeid roept hij door. Gebiologeerd staar ik hem aan.
“Wat is er nou toch, waarom ga je niet naar je vader en moeder, daar ben je altijd beter af dan hier…….. daar zijn ze toch voor?”
Terwijl ik dit mezelf hoor zeggen valt er een kwartje. Ik ben even helemaal van mijn stuk en ik voel een brok in mijn keel komen. Op dat moment vliegt mijn kleine bezoekertje over het schip opnieuw naar zijn plekje op de industriedeur. Overeind komend staar ik hem over de kajuit na. Een tikkie ontdaan wil ik hem aanmoedigen om nu door naar buiten te vliegen maar voor ik iets kan uitbrengen komt hij weer terug vliegen naar exact hetzelfde plekje vlak bij mij op de zeerailing. We kijken elkaar aan en weer roept hij zijn fluittoontje. Dit tafereel raakt me intens.
Ik wil van alles zeggen maar ik hoor mezelf alleen maar stamelen; “Ja…….. ja……. klein ding, ik denk dat ik je nu echt begrepen heb.” Op dat moment vliegt hij naar de voorkant van het schip, gaat op de preekstoel zitten, kijkt even om, roept nog één keer en vliegt vervolgens rechtdoor naar buiten.
Geen idee hoe lang ik daar gestaan heb maar het duurt een hele poos voor ik mezelf weer bij elkaar geraapt heb. Er komt niet zo veel werk meer uit m’n handen. Het is al na zessen en ik besluit naar huis te gaan.
Terwijl ik de achterdeur in kom zie ik in de bijkeuken een aantal grote tassen staan. Onze dochter en haar drie kinderen zijn me net voor geweest……….
“Als jullie het goed vinden blijven wij voorlopig maar hier”, zegt ze aangedaan tegen haar moeder. “Natuurlijk kind, jullie zijn welkom, we maken het gewoon weer gezellig samen.”
“Maar ik zadel jullie wel weer op met mijn problemen,” verontschuldigt ze zich.
“Och kind,” hoor ik mezelf met een kreukelstem piepen, “daar zijn we toch voor!”